Leerhuis van de kerkvaders

De veertigdagentijd: terugblik en perspectief

Op de eerste en de tweede zondag van de vasten bakenen de Schriftlezingen de 40-daagse tocht af. Ze trekken er een lijn omheen en wel door twee taferelen. Het Evangelie van de eerste zondag vangt aan met ons het Doopsel van de Heer in herinnering te roepen. De tweede zondag spiegelt ons de verheerlijking op Tabor voor en de verrijzenis van Pasen. Daartussen liggen de woestijn en het kruis.

De woestijn – de plaats van de bekoring – wordt voorafgegaan door de Doop van de Heer in de Jordaan. Het is alsof de Doop vooruitwijst naar de woestijn, zich verlengt in de woestijn. Ook voor ons, mensen, christenen, begint na het doopsel, na de doortocht door het water, de woestijntocht. Dat was zo voor het Joodse volk, dat was zo voor Jezus. Hij duurt 40 dagen of jaren, dat wil zeggen heel ons leven. Hij heeft Tabor als verhoopt eindpunt. Wij zullen er Mozes en Elia treffen. Ook zij na hun veertigdaagse tochten, en ook de apostelen na hun beklimming: dat is onze hoop.

Voor Tabor is er nog het derde doopsel, het doopsel van het kruis, dat reeds in het eerste wordt voorafgebeeld. Het wordt voorbereid en ingeoefend in de woestijn. Doorheen het leven.

Waarom wordt het leven vergeleken met een woestijntocht? Het is toch meer dan dat? Het is toch ook een weldaad? Dat is het zeker, tenminste voor sommigen. Voor veruit de meesten is het een moeizame tocht. Hoe dan ook, die tocht loopt onwillekeurig uit op een sterven en dat oefenen we best in.

Sterven moeten we sowieso, maar de vraag die rijst is: wàt voor een dood zullen wij sterven? Zal ons sterven – zoals ons doopsel het beloofde – een doortocht zijn naar een nieuw land? Of zal het eindigen in teloorgang en graf? Zal ons sterven verbonden zijn met het sterven van Jezus? Zal het de kleur van zijn sterven dragen en uitzicht geven op Tabor? Zullen we er aankomen?

Jezus werd gedoopt in de golven van de Jordaan. Jezus doortrekt de woestijn en wordt er bekoord. Jezus weerstaat de bekoring, beklimt het kruis en overwint.

Eertijds gingen wij ten onder in het water. Het oude water van de zondvloed verzwolg ons. Eén van ons, Noah, werd bewaard temidden van de vloed. Hij werd bewaard door het hout van de ark. Noah wijst naar Hem die komen zal. Hij zal in het donkere water een veilige haven bereiden. Hij zal voor ons een ark bouwen van hout die veiligheid zal bieden voor de donkere golven. Die ark omvat de hoogte en de diepte, de wijdte en de breedte. Het is de ark van het kruis. Zullen wij er binnengaan? Zullen we het hout beklimmen met Jezus?

Ook het Joodse volk trok veilig naar de andere oever onder leiding van Mozes. Zijn houten staf bereidde voor hen de bevrijding en opende de bedreigende wateren, veranderde ze in een vlakte van zand. De nieuwe Mozes – Jezus – baande een veilige weg voor ons allen door de steeds dreigende golven. Ook ons heeft Hij tussen de wateren doen wandelen. De sleutel is het geheim van het hout, van het kruis.

Van Jezus wordt gezegd “Dat Hij de zonden van de mensen begroef in de wateren”. (Antifoon bij het feest van de Doop). Niet voor niets spreekt het boek Genesis, als het water tot de lippen kwam, van een zondvloed. De watervloed is niet vreemd aan het kwaad dat de mensen bedrijven. Hij is het beeld van het ‘donkere pad’ dat zich aandient in de woestijn en dat oplicht door de bekoring. Door het zwichten voor de bekoring zijn wij ‘in donkere wateren geraakt’. We worden erdoor omgeven, we worden meegesleurd, bedolven, opgeslokt. Het water is als het zeemonster dat Jonah naar binnen haalt: er is geen ontsnappen aan.

Met Jona klagen wij: “Gij wierp mij in de diepte, in het harte van de zee, en de golven omsloten mij” ( jona 2,3) en met de psalmist: bidden we “Als de Heer ons niet bij had gestaan, vast hadden de wateren ons meegesleurd, had de kolkende stroom ons bedolven, vast had ons levend bedolven, het water in zijn geweld. Gezegend De Heer, Hij gaf ons niet prijs.” (Ps 124, 1. 4-6)

Inderdaad, het is passend de Heer te zegenen. Want Hij daalde in het water af en groef er een graf. Een graf waar Hij de zonden begroef. En het water werd helder, werd bron van leven. In plaats van te verdrinken kwamen wij er tot leven. Het water waste ons rein. We vonden er het gloriekleed dat de Heer had afgelegd. Hij legde zijn rijke goddelijke gewaad af en bekleedde zich met onze naaktheid, om ons zijn gloriekleed te schenken. We trokken het aan als een belofte. Immers, voor het gloriekleed van Tabor wacht nog de woestijn, en die andere berg – Golgotha – die nog dient beklommen.

Inderdaad, na het doopsel, na het ‘ja’ en na onze hartekeuze om bij de Heer te blijven en zijn pad te volgen worden ook wij, christenen, door de Geest naar de woestijn gevoerd om er samen met Jezus aan de bekoring te weerstaan. Het doopsel van het begin, zet ons op weg om een god-verbonden leven te leiden in navolging van Jezus. Volgt dan de woestijn, de veertig jaren van ons leven, van de onderdompeling in de tijd, in de wederwaardigheden, de wisselende omstandigheden en lotgevallen van het bestaan. Die woestijn is ons gegeven als een kans, om dagelijks, met Gods hulp te kiezen voor het goede, en dit temidden van de bekoringen. Jezus toontde weg: wapen u met Gods Woord en weersta, samen met Mij. Weersta de Aartsleugenaar en zijn bedrieglijke wegen.

Jezus, als een nieuw Mozes, wandelde tussen de wateren. Ook ons gaf hij een pad, als een vlakte van zand (Ps 106, 9). Dat pad tekent Hij uit in het water én in de woestijn. In de woestijn zijn de bekoringen aan de orde. De woestijn is het domein dat de Boze voor zich opeist. Hij krijgt er ruimte. Haar dorheid en onherbergzaamheid helpen hem. Zij doen de mensen twijfelen. Er loeren jakhalzen en slangen. De woestijn bedreigt en maakt bang. De dood ligt er op de loer. De mens wordt onzeker en in die troebelheid spant de boze zijn lagen.

Ook Jezus wordt naar de woestijn geleid om er beproefd te worden. De Boze beraamt er een aanslag en Jezus, net als Adam en net als het volk in de woestijn en net als wij allen ‘wilde (Hij) in die woestijn eten hebben. (Ps 106, 14). Jezus had honger en werd, – dat is de tactiek van de Boze – bekoord in zijn natuurlijke, lichamelijke behoeften. Hij zegt ’nee’ aan de oppervlakkige verzadiging en wijst het voedsel van Gods Woord als het échte voedsel aan. Daarmee tekent Hij een verborgen weg uit: “Wie zijn leven wil winnen, zal het verliezen, maar wie zijn leven met Mij durft prijs te geven terwille van het Evangelie, die zal het winnen” (Mt 10,39). Wie zijn honger voorbarig stilt zal steeds weer honger krijgen. “Maar ik heb een spijs die uw diepste honger zal stillen”.

De Boze heeft steeds dezelfde strategie: Hij begint met ‘eten’ aan te bieden. Hij reikt de wereld aan als een enorme moederborst die alle behoeften bevredigen kan. We zijn er zover op ingegaan dat onze moeder – de aarde – ervan kreunt. Steeds weer nodigt hij uit om de frustratie van het gemis en de vele soorten honger die wij in ons meedragen om te zetten in verzadiging en genieten.

Is het niet zo? Uit schrik voor de honger overladen we onze borden. Uit schrik om te missen – want het voedsel is karig in de woestijn! – gaan we op jacht en stapelen de goederen als een buffer rondom ons op.

Jezus’ keuze is anders. Zij is een aansporing om ruimte te maken in ons lijf, in onze geest, in onze tijd en in onze geldbeugel: om ook ruimte te vinden in het hart. Opdat de kleine honger ons bewust zou maken van onze wezenlijke honger. God zegt het al lang: Open wijd uw mond, Ik stil uw honger (Ps 81,11). Let ook op dat je de subtielere vormen van voorbarige verzadiging niet gaat opzoeken, zoals macht en aanzien. Slechts Eén stilt uw honger. Zoek Hèm, verpand u aan Hem, Hang Hem aan, dan zal Hij u vast blijven houden (cf Ps 63, 9).

De vastentijd maakt ons bewust van de ernst van het levenspad. We worden opgeroepen om, met de hulp van de Heilige Geest – die steeds naar Jezus wijst – dicht bij de Heer te blijven en weerstand te bieden aan de Verleider. Om Jezus niet los te laten, ook niet in Jeruzalem waar Hij het derde doopsel zal ondergaan: “Ik moet een doopsel ondergaan en hoe beklemd voel ik Mij totdat het is volbracht.” ( Lc 12, 50)

Zo komt stilaan Jeruzalem in zicht. Wat ons op de tweede zondag van de vasten als een visioen werd aangereikt, de verheerlijking op de berg, dient zich nu aan. Het is de overkant van het derde doopsel dat Jezus – en wij samen met Hem -, zal ondergaan; en niet zonder de beklemming de ook Hij voelde, en niet zonder het luide geween. Tussen het eerste doopsel, en na de levenstocht door de woestijn verheft zich nog Golgotha. Daar staat het kruis. Het dient beklommen. De veilige haven van de liefde dient uitgetekend – zoals een ark – in het hout. Jezus wordt door de Vader geroepen om – zoals het al gebeurde van alle eeuwigheid binnen de Drie-Eenheid—, maar nu als mens met ons, zijn menselijk leven, met alle levensdrift die een jonge man eigen is, aan God te geven: het aan de Vader terug te geven, maar beladen en verweven en vereend met het leven van allen, met het menselijk leven dat Hij bij zijn Menswording aannam, nu ook beladen en verweven met het leven van zijn beulen, met dat van zijn verloochenaar en verrader, met dat van zijn laffe volgelingen, met dat van de rovers aan zijn zijde. En zoals Hij destijds de zonden van de mensen begroef in de wateren, zo nagelt Hij nu, door de hamer van de liefde, de grote aanklacht en de oude schuldbrief aan het kruis.

Het is het laatste en enige wapen van God in het werk gesteld om on te winnen. Hij moest van de aarde worden verheven, om door de liefde allen tot zich te trekken. Hij is het schuldeloze Lam dat in de liefde bleef en door de liefde, de vijand van alle liefde en alle leven – de dood – het leven, de macht en de toekomst ontnam. Door de dood, door onder te gaan in het water, door te strijden in de woestijn, door het Pascha – onder luid geween – van het laatste doopsel en het kruis van de liefde vrij en tot het uiterste te beklimmen, doodde Hij de dood. En wij, wij leven!

Ook onze weg loopt uit op sterven. En de vraag die de vastentijd en de aanstaande Goede, Heilige Week ons stelt is: “Wat voor een dood zullen wij sterven”? Zal ons sterven de poort zijn naar een nieuw land? De poort naar Tabor? Zullen wij met de Heer de berg mogen bestijgen (Ps 24, 3)? Zullen wij samen met Hem door de nauwe poort van hout trekken? Zal ze haar kroonlijsten opheffen om ons samen met Hem zicht te geven op de berg van de verheerlijking? Of zal het een sterven zijn dat eindigt in teloorgang, in stof en as en graf? Zal ons sterven verbonden zijn met het sterven van Jezus? Zal het de kleur van zijn sterven dragen? Zullen we iets van zijn licht bewaren in die beklemmende doortocht, iets van het licht van zijn vertrouwen?

Zal zijn liefde in dat donker schijnen, zijn liefde: de hand die ons omhoog trekt, ons door de tunnel trekt. Zullen we Hem – vol vertrouwen – durven vragen: “ Heer denk aan mij, wanneer ge in uw Koninkrijk gekomen zijt”?

Joris.

« Terug naar het overzicht van de artikels